Terug naar hoofdinhoud

Rubrics (Master)

Master

  • Studiepunten:
    0 EC
  • Route:
    Master
  • Docent(en):
  • Indicatoren:
    a. Spiritualiteit & belichaamde navolging, b. Onderzoekszin, c. Bijbel en Baptist Vision, d. Zelfinzicht en zelfcorrectie, e. Professionele identiteit en ethiek, f. Exegese, g. Missio Dei, h. Vrijkerkelijke ecclesiologie, i. Cultuuranalyse, j. Narratieve theologie, k. Pastoraat, l. Praktijkvragen en complexiteit, m. Geleefd geloof, n. Professionele Houding, o. Procesdynamieken, p. Homiletische en Liturgische Competentie, q. Communale Hermeneutiek, r. Communicatie/redeneren, s. Kerkelijke actualiteit, t. Oecumene, u. (ana)Baptistische Hermeneutiek
  • Studiejaar:
    2026-2027

Rubrics WO niveau

 

Indicator:

<6 onvoldoende

6 voldoende

7 ruim voldoende

>8 goed tot zeer goed

a. Spiritualiteit & belichaamde navolging

De student kan moeilijk woorden geven aan de eigen spiritualiteit in relatie tot de studie of praktijk; er is onvoldoende verbinding tussen de studie en de praktijk.

De student geeft woorden aan de eigen christelijke spiritualiteit in relatie tot de studie of de praktijk; echter blijkt uit het verhaal dat studie en spiritualiteit veelal naast elkaar functioneren.

De student integreert de studie met de eigen christelijke spiritualiteit en wandel als volgeling van Jezus en brengt dat op een open manier onder woorden.

De student verbindt zijn/haar studie op een open manier aan de eigen christelijke spiritualiteit en wandel als volgeling van Jezus, en komt tot vernieuwend inzicht en handelen als het gaat om geloof en actie.

b. Onderzoekszin

De student toont weinig tot geen interesse om te leren van anderen (docenten, medestudenten, geloofspraktijken of -bronnen) en is niet in staat om vragen aan zichzelf te stellen als het gaat om de eigen overtuiging en mening.

De student laat enige mate van nieuwsgierigheid zien, naar medestudenten, docenten, geloofspraktijken en -bronnen, maar blijft redeneren vanuit de eigen overtuiging en zekerheid of laat deze niet genoeg (tijdelijk) los.

De student toont een nieuwsgierige, respectvolle en empathische houding – naar medestudenten, docenten, geloofsprakijken en -bronnen – en durft eigen zekerheden daarin te laten bevragen en het eigen oordeel uit te stellen.

De student toont grote leergierigheid, laat zich inspireren door medestudenten, docenten, geloofspraktijken en -bronnen, en onderzoekt verschillende perspectieven, open, actief en grondig.

c. Bijbel en Baptist Vision

Het lukt de student niet om op een overtuigende manier verbinding te leggen tussen een Bijbeltekst en de geloofspraktijk.

De student geeft eigen woorden aan wat er gelezen wordt  in het gekozen Bijbelboek; de tekst wordt in relatie gebracht met de geloofspraktijk, echter de toepassing is algemeen en enigszins voorspelbaar.

De student voedt op een creatieve en verdiepende manier de geloofspraktijk met de eigen lezing van een Bijbelboek.

De student past een gelaagde exegese toe op een Bijbelboek die overtuigend wordt gerelateerd aan het eigen geloof, de huidige cultuur en methoden in de academische theologie.

Indicator:

<6 onvoldoende

6 voldoende

7 ruim voldoende

>8 goed tot zeer goed

d. Zelfinzicht en zelfcorrectie

De student heeft weinig tot geen inzicht in de eigen biografie, emoties, moraliteit en leiderschapskwaliteiten; hij/zij reageert niet of slecht op correctie.

De student toont enig inzicht in de eigen biografie, emoties, moraliteit en leiderschapskwaliteiten, maar kan hier nog niet helder of overtuigend op reflecteren in relatie tot andere perspectieven en interpretaties; hij/zij reageert ambigu op correctie.

De student betoont zelfinzicht (biografie, emotioneel, moreel, leiderschap), en kan reflecteren op hoe zijn/haar eigen gesitueerde rol (positie, bril, eigen geschiedenis, normativiteit) de observatie en interpretatie kleurt en durft zichzelf te laten  corrigeren.

De student toont diepgaand en doorleefd zelfinzicht (biografie, emotioneel, moreel, leiderschap) en durft zichzelf hier kwetsbaar over op te stellen. De student kan systematisch en met kritische afstand reflecteren op de eigen positionaliteit en weet dat op een open manier in te brengen in de dialoog met de ander.

e. Professionele identiteit en ethiek

De student heeft weinig tot niet nagedacht over de ontwikkeling van een professionele identiteit en de daarbij behorende beroepsethiek.

De student heeft nog niet volledig grip op de ontwikkeling van zijn/haar professionele identiteit en moet deze nog beter verbinden aan een beroepsethiek.

De student geeft inzicht in de ontwikkeling van zijn professionele identiteit en de daarbij behorende beroepsethiek.

De student geeft inzicht in de ontwikkeling van zijn professionele identiteit en de daarbij behorende beroepsethiek, en kan de reflectie daarop conceptueel duiden.

f. Exegese

De uitleg van het Schriftgedeelte heeft onvoldoende diepgang; de student heeft geen adequaat gebruik gemaakt van relevante hulpbronnen of de toepassing is niet verantwoord; gemaakte keuzes worden niet goed onderbouwd.

De student geeft met behulp van relevante hulpmiddelen een basale uitleg van een Schriftgedeelte; de gemaakte keuzes (theologisch, taalkundig, historisch, sociologisch) zijn nog enigszinds sumier, oppervlakkig of ongenuanceerd.

De student legt een Schriftgedeelte uit met behulp van relevante hulpmiddelen en benoemt en verantwoordt daarin de gemaakte keuzes (theologisch, taalkundig, historisch en sociologisch).

De student interpreteert een Schriftgedeelte met behulp van relevante middelen, biedt richtinggevende uitleg (exegetisch en hermeneutisch) en plaatst deze in gesprek met relevante academische debatten (theologisch, taalkundig, historisch en sociologisch).

Indicator:

<6 onvoldoende

6 voldoende

7 ruim voldoende

>8 goed tot zeer goed

g. Missio Dei

De student benoemt wel iets van  de 'missio Dei' theologie maar laat niet zien de wezenlijke discussies begrepen te hebben, en blijft daardoor steken in begrippen of een opsomming als het gaat om de beschrijving van de praktijksituatie.

De student beschrijft wel de 'missio Dei' theologie, toont besef van de wezenlijke discussies, maar kan deze slechts beperkt verbinden met bredere (bijbels) theologische thema's (als heil, zondeleer, ecclesiologie)

De student beschrijft en evalueert de 'missio Dei' theologie en kan deze verbinden met bredere (bijbels) theologische thema's (zoals heil, zondeleer, ecclesiologie).

De student beschrijft en evalueert de 'missio Dei' theologie, kan deze zowel historisch als (bijbels-)theologisch verduidelijken en wegen, en in dialoog brengen met theologische thema's als heil, zondeleer, ecclesiologie.

h. Vrijkerkelijke ecclesiologie

De student is nog niet voldoende vertrouwd met de kenmerken en de eigenheid van de (ana)baptistische en evangelische traditie en kan deze niet expliciet verwoorden.

De student kan op hoofdlijnen  de eigenheid van de (ana)baptistische en evangelische traditie uitleggen en benoemen.

De student kan op hoofdlijnen de eigenheid van de (ana)baptistische en evangelische traditie en ecclesiologie uitleggen, en vanuit vrijkerkelijk perspectief reflecteren op ecclesiologische vraagstukken.

De student is vertrouwd met de eigenheid van de (ana)baptistische en evangelische traditie en kan deze zowel historisch als theologisch duiden in het licht van de kerkgeschiedenis van de afgelopen eeuwen.

i. Cultuuranalyse

De student gebruikt nauwelijks inzichten vanuit de sociaal wetenschappelijke theorieën om de  huidige cultuur en context te beschrijven in de situatie van de praktijk.

De student kan aan de hand van een of twee theorieën uit de sociale wetenschappen enkele inzichten geven in de huidige cultuur en context in de situatie van de praktijk (bijv. postmodernisme, secularisatie en netwerksamenleving), maar heeft nog niet alle theoriën volledig onder de knie.

De student gebruikt relevante theorieën uit de sociale wetenschappen, om de huidige cultuur en context te kunnen duiden in de situatie van de praktijk (bijv. postmodernisme, secularisatie en netwerksamenleving).

De student laat een breed overzicht zien in het gebruik van relevante en recente sociaal wetenschappelijke theorievorming. Vanuit dit overzicht weet hij/zij de huidige cultuur en context vanuit meerdere perspectieven te beschrijven.

Indicator:

<6 onvoldoende

6 voldoende

7 ruim voldoende

>8 goed tot zeer goed

j. Narratieve theologie

De student slaagt er niet in om de narratieven van mensen, gemeente en zichzelf samen te brengen met het missio Dei-gedachtegoed in de gemeente en in de wereld.

De student kent de narratieve benadering; hij/zij brengt  zijn/haar autobiografie, het verhaal van de ander, de geloofsgemeenschap of de cultuur wel in relatie met elkaar, maar vindt het nog lastig het grote verhaal van God (missio Dei) en de verhalen uit de Schrift te betrekken (zo blijkt uit een concreet voorbeeld).

De student gebruikt 'narrativiteit' als hermeneutische brug; hij/zij verbindt zijn/haar autobiografie, het verhaal van de ander, de geloofsgemeenschap of de cultuur aan het grote verhaal van God (missio Dei) en de verhalen uit de Schrift.

De student improviseert met de narratieve benadering in zijn/haar manier van theologiseren, en kan dit verantwoorden in het licht van narratieve theorie. Hij/zij verbindt de autobiografie, het verhaal van de ander, de geloofsgemeenschap of de cultuur aan het grote verhaal van God (missio Dei) en de verhalen uit de Schrift.

k. Pastoraat

De student is niet voldoende doortastend, pastoraal gevoelig of empatisch om de ander volledig te horen en begrijpen tijdens een gesprek.

De student kan op empatische wijze luisteren, aansluiten, samenvatten en teruggeven, maar weet nog niet helemaal het verhaal van de ander aan Gods verhaal te verbinden.

De student laat zien dat hij in pastorale gesprekken kan luisteren, aansluiten, samenvatten en teruggeven en daarmee de ander kan verbinden aan God(s verhaal met de mens).

De student herkent en benoemt emoties, stelt gerichte vragen en begeleidt het pastorale gesprek op een natuurlijke, empathische en theologisch verantwoorde manier, zodat de ander expliciet wordt uitgenodigd om verbinding te maken met Gods verhaal met de mens.

l. Praktijkvragen en complexiteit

De student kan onvoldoende vragen, behoeften en problemen  signaleren binnen een gemeentepraktijk of geloofspraktijk en het vraagtstuk beschrijven dat speelt in die praktijksituatie; het blijft teveel steken in het praktijkpobleem.

De student signaleert vragen, behoeften en problemen binnen de praktijk, bespreekt deze met medestudenten, belanghebbenden en/of betrokkenen, en komt tot een heldere beschrijving hiervan.

De student signaleert en bespreekt vragen, behoeften en problemen binnen de praktijk, en weet deze  met betrokkenen vanuit verschillende perspectieven kritisch te analyseren.

De student observeert en bespreekt het praktijkprobleem met de stakeholders en betrokkenen, kan het praktijkprobleem plaatsen in een breder conceptueel kader en komt snel tot een scherpe, helder gearticuleerde vraagstelling, en enkele oplossingsrichtingen.

Indicator:

<6 onvoldoende

6 voldoende

7 ruim voldoende

>8 goed tot zeer goed

m. Geleefd geloof

De student komt niet voorbij de eigen vooroordelen en aannames, geeft geen eerlijke beschrijving van geleefd geloof.

De student hanteert kwalitatieve onderzoeksmethodologie om het geleefde geloof van individuen en groepen te beschrijven, maar blijft daarin vooral in algemeenheden en wordt weinig concreet of gedetailleerd  (geleefd geloof)

De student hanteert kwalitatieve onderzoeksmethodologie om het geleefde geloof van individuen of groepen te onderzoeken en concreet en genuanceerd te beschrijven.

De student beschrijft het geleefd geloof (van individuen of groepen) met gebruik van kwalitatieve onderzoeksmethodologie en komt daarbij tot rake signaleringen en een verrassend inzicht in de complexiteit van de geleefde werkelijkheid.

n. Professionele Houding

De student laat onvoldoende professionele houding zien; afspraken worden niet of onvoldoende nagekomen, communicatie en geleverd werk zijn onder de maat, of de houding die de student laat zien getuigt niet van het kunnen werken in een professionele rol.

De professionele houding van de student is voldoende, maar vraagt nog wel verdere groei (in zelfstandigheid, communicatieve uitingen en houding).

De student laat een professionele houding zien in zijn studietijd aan het seminarium (houding, communicatie, samenwerking, verantwoordelijkheid, verzorgdheid ingeleverd werk). 

De student laat een hoge mate van professionele houding zien in zijn studietijd aan het seminarium, is zelfsturend, nauwkeurig en correct.

o. Procesdynamieken

De student doorziet procesdynamieken binnen gemeentelijke processen niet of onvoldoende.

De student herkent procesdynamieken in een gemeentelijke context, maar vindt het lastig deze bespreekbaar te maken of daarin zelf een plek in te nemen.

De student herkent procesdynamieken in een gemeentelijke context, maakt deze bespreekbaar en is daarin vrij en beweeglijk aanwezig.

De student heeft overzicht van de procesdynamieken in een gemeente, maakt deze bespreekbaar in de gemeente, is vrij en beweeglijk aanwezig, en kan daarnaast bewust, strategisch handelen.

Indicator:

<6 onvoldoende

6 voldoende

7 ruim voldoende

>8 goed tot zeer goed

p. Homiletische en Liturgische Competentie

De student spreekt weinig pastoraal of profetisch in een gemeentelijke of publieke context en het raakt  de mensen onvoldoende. Hij/zij maakt hierbij geen of teveel verbinding met geloofsbronnen waarbij het niet expliciet wordt gemaakt hoe de bronnen worden gelezen.

De student spreekt in een gemeentelijke of publieke context op een urgente en empatische manier, maar ook een mate van voorspelbaarheid heeft in de manier waarop bronnen worden gebruikt en toegepast.

De student spreekt urgent, empathisch en verbindend in een gemeentelijke of publieke context en gebruikt liturgische vormen (taal en symboliek) en verbindt daarin de eigen duiding van die context met geloofsbronnen.

De student spreekt pastoraal en profetisch in een gemeentelijke of publieke context op een manier die raakt, dichtbij komt en mensen in beweging zet; hij/zij verbindt daarin zijn/haar duiding van die context met geloofsbronnen en verantwoordt gemaakte keuzes vanuit de theorie.

q. Communale Hermeneutiek

De student is aanwezig in de ondersteuning van  een dialogisch hermeneutisch proces in de gemeente rondom een geloofspraktijk of ethisch dilemma, maar komt niet zelf tot een heldere procesbeschrijving of -sturing.

De student begeleidt een dialogisch hermeneutisch proces in de gemeente rondom een geloofspraktijk of ethisch dilemma, kan een procesplan schrijven, maar mist nog het volledige overzicht om het proces goed te begeleiden en bij te sturen.

De student begeleidt een dialogisch hermeneutisch proces in de gemeente rondom een geloofspraktijk of ethisch dilemma en kan daarin zorgvuldig het proces verwoorden, begeleiden en bijsturen.

De student begeleidt zelfstandig en met grote mate van overzicht een dialogisch hermeneutisch proces in de gemeente rondom een geloofspraktijk of ethisch dilemma. Hij/zij beschikt daarvoor over een groot aantal handelingsalternatieven.

r. Communicatie/redeneren

De student heeft wollige of niet goed te volgen redenaties, stelt geen of geen scherpe vragen, of kan geen constructieve dialoog onderhouden met anderen.

De student heeft momenten van heldere en scherpe vraagstelling en argumentatie, maar ook momenten van ineffectieve of minder overtuigende communicatie; hij/zij kan de eigen standpunten wel helder verwoorden, maar deze nog niet helemaal in dialoog brengen met de perspectieven van anderen.

De student kan overtuigend zijn punt maken door tot een heldere vraagstelling te komen, logisch te argumenteren, kundig de dialoog met anderen/bronnen te zoeken en te komen tot een scherpe conclusie.

De student is zeer helder en scherp in alle communicatie en dialoog, logisch in de argumentatie, en grondig in de overweging van alle perspectieven. Hij/zij weet daarbij anderen op empatische manier mee te nemen in de redenatie.

Indicator:

<6 onvoldoende

6 voldoende

7 ruim voldoende

>8 goed tot zeer goed

s. Kerkelijke actualiteit

De student is niet of onvoldoende bekend met de recente ontwikkelingen op het evangelisch Protestantse erf in de Nederlandse context.

De student is enigsinds bekend met de recente ontwikkelingen op het evangelisch Protestantse erf in de Nederlandse context.

De student kent en beschrijft recente ontwikkelingen op het evangelisch Protestantse erf in de Nederlandse context.

De student is thuis in de recente ontwikkelingen op het evangelisch Protestantse erf in de Nederlandse context, kan deze inzichtelijk verwoorden en gebeurtenissen op dat erf duiden.

t. Oecumene

De student kan de eigen rol als professional  in het proces nauwelijks woorden geven en heeft te weinig inzicht hoe de biografie en eigen normen en waarden de manier van kijken en waarnemen kleurt.

De student is zich er intuitief van bewust hoe zijn/haar eigen achtergrond en positie in de prakijk zijn/haar observaties, interpretaties en handelen kleuren, maar weet dit niet helder te benoemen, noch daarop te reflecteren.

De student kan zijn eigen traditie geloofwaardig vertolken in gesprek binnen de bredere oecumene en daarmee identiteitsdrager zijn van die eigen traditie.

De student kan zijn eigen traditie geloofwaardig vertolken  in de dialoog met - en aantoonbare interesse naar -anderen binnen de oecumene, en toont daarmee aan identiteitsdrager en verbinder te zijn.

u. (ana)Baptistische Hermeneutiek

De student is onvoldoende bekend met de relevante sleutelpassages uit de (ana)Baptistische traditie.

De student kent relevante sleutelpassages uit de (ana)Baptistische traditie, maar vindt het nog lastig om hier exegetisch en theologisch op te reflecteren.

(ana)Baptistische Hermeneutiek: De student kent relevante sleutelpassages uit de (ana)Baptistische traditie, hun doorwerking in die traditie, en kan daar zowel exegetisch als theologisch op reflecteren.

De student toont grondige kennis van de relevante sleutelpassages uit de (ana)Baptistische traditie en kan deze exegetisch en theologisch analyseren. Hij/zij positioneert zichzelf kritisch en bewust ten opzichte van deze traditie.