Terug naar hoofdinhoud

Eindtermen en indicatoren (HBO)

Minor HBO

  • Studiepunten:
    0 EC
  • Route:
    Minor HBO
  • Docent(en):
  • Indicatoren:
    a. Spiritualiteit & belichaamde navolging, b. Onderzoekszin, c. Bijbel en Baptist Vision, d. Zelfinzicht en zelfcorrectie, e. Professionele identiteit en ethiek, f. Exegese, g. Missio Dei, h. Vrijkerkelijke ecclesiologie, i. Cultuuranalyse, j. Narratieve theologie, k. Pastoraat, l. Praktijkvragen en complexiteit, m. Geleefd geloof, n. Professionele Houding, o. Procesdynamieken, p. Homiletische en Liturgische Competentie, q. Communale Hermeneutiek, r. Communicatie/redeneren, s. Kerkelijke actualiteit, t. Oecumene, u. (ana)Baptistische Hermeneutiek
  • Studiejaar:
    2026-2027

Eindtermen en Indicatoren

Eindtermen

De afgestudeerde theoloog/voorganger…

Exegese en Bijbelse theologie vanuit (ana)baptistisch perspectief

  • Eindterm 1: … koestert een liefde voor de omgang met de Schrift en gebruikt die om de geloofspraktijk te voeden (Bijbel en Baptist Vision). Daartoe bezit hij/zij de vaardigheid om de Schrift methodisch te onderzoeken, verstaan en interpreteren, met kennis van de hedendaagse debatten in de Bijbelwetenschap, en met verantwoording van gemaakte keuzes (exegese).
  • Eindterm 2: … beschrijft, evalueert en gebruikt (invloedrijke) theologische ‘interpretatielenzen’, zoals Missio Dei (Missio Dei) en de (ana)(ana)Baptistische Hermeneutiek ((ana)Baptistische Hermeneutiek); daarbij worden sleutelteksten en hun uitleg bediscussieerd, en de theologische gevolgen onderscheiden.

Vrijkerkelijke traditie

  • Eindterm 3: … duidt de kerkelijke praktijk vanuit de vrijkerkelijke geschiedenis (vrij kerkelijke ecclesiologie) alsmede vanuit recentere ontwikkelingen op het evangelisch protestantse erf (kerkelijke actualiteit), kan daar vanuit VKE perspectief ecclesiologisch op reflecteren en de eigen traditie vertegenwoordigen binnen de breedte van de kerk (oecumene).

Culturele en kerkelijke praktijken lezen en interpreteren

  • Eindterm 4: … gebruikt praktisch theologische methodiek (kwalitatief onderzoek) om het geleefde geloof van geloofsgemeenschappen en individuen te beschrijven en interpreteren (geleefd geloof). Hij/zij signaleert vragen, behoeften en problemen binnen de geloofspraktijk, maakt deze bespreekbaar en komt tot een heldere beschrijving hiervan (praktijkvragen en complexiteit).
  • Eindterm 5: … duidt, analyseert en evalueert de geloofspraktijk en cultuur met behulp van sociologische en theologische theorie (bijv. secularisatie, netwerksamenleving, formatie, etc.) (cultuuranalyse).

Leiderschap en geloofscommunicatie

  • Eindterm 6: … verbindt (o.a. door te luisteren) op onderbouwde en overtuigende wijze de huidige geloofspraktijk, het eigen geloofsleven en het geloofsleven van de ander met de bronnen van Schrift en traditie, en zet ‘narrativiteit’ in als hermeneutische brug (narratieve hermeneutiek en pastoraat).
  • Eindterm 7: … ontwerpt en begeleidt dialogisch hermeneutische processen in een kerkelijke context (communale hermeneutiek), herkent daarin relevante procesdynamieken en maakt deze bespreekbaar (procesdynamieken).
  • Eindterm 8: … spreekt urgent, empathisch en verbindend in een gemeentelijke of publieke context, met onderbouwing van de gemaakte exegetische en theologische keuzes en met gebruik van passende (liturgische) vormen (homiletische en liturgische competentie). Hij/zij kan overtuigend zijn punt maken door tot een heldere vraagstelling te komen, logisch te argumenteren, kundig de dialoog met anderen/bronnen te zoeken en te komen tot een scherpe conclusie (communicatie/redeneren).

Professionele en geestelijke vorming

  • Eindterm 9: … integreert en voedt zijn/haar professie met de eigen wandel als volgeling van Jezus, expliciteert dat in gesprekken met anderen en in de eigen spirituele biografie, en geeft dat vorm in een eigen levensritme en geloofsleven (spiritualiteit); daarin oefent hij/zij zich in nieuwsgierigheid, respect en openheid naar mensen, geloofsprakijken, plekken en bronnen (onderzoekszin).
  • Eindterm 10: … kent zichzelf als persoon en als professional (biografie, emotioneel, moreel, leiderschap), hij/zij is zich bewust van hoe de eigen gesitueerde rol, durft zichzelf te laten zien (kwetsbaar en moedig) en corrigeren (zelfinzicht en zelfcorrectie).
  • Eindterm 11: … ontwikkelt en bewaakt zijn professionele identiteit en de daarbij behorende rollen en beroepsethiek (professionele identiteit en ethiek); en neemt daarbij een professionele houding aan (houding, communicatie, taal, samenwerking, verantwoordelijkheid, verzorgdheid werk) (professionele houding).

Indicatoren

  1. Spiritualiteit: De student integreert de studie met de eigen christelijke spiritualiteit en wandel als volgeling van Jezus en brengt dat op een open manier onder woorden.
  2. Onderzoekszin: De student toont een nieuwsgierige, respectvolle en empathische houding – naar medestudenten, docenten, geloofsprakijken en -bronnen - durft eigen zekerheden daarin te laten bevragen en het eigen oordeel uit te stellen.
  3. Bijbel en Baptist vision: De student voedt op een creatieve en verdiepende manier de geloofspraktijk met de eigen lezing van een Bijbelboek.
  4. Zelfinzicht en zelfcorrectie: De student betoont zelfinzicht (biografie, emotioneel, moreel, leiderschap), en kan reflecteren op hoe zijn/haar eigen gesitueerde rol (positie, bril, eigen geschiedenis, normativiteit) de observatie en interpretatie kleurt en durft zichzelf te laten
  5. Professionele identiteit en ethiek: De student geeft inzicht in de ontwikkeling van zijn professionele identiteit en de daarbij behorende beroepsethiek.
  6. Exegese: De student legt een Schriftgedeelte uit met behulp van relevante hulpmiddelen en benoemt en verantwoordt daarin de gemaakte keuzes (theologisch, taalkundig, historisch en sociologisch).
  7. Missio Dei: De student beschrijft en evalueert de 'Missio Dei' theologie en kan deze verbinden met bredere (bijbels) theologische thema's (zoals heil, zondeleer, ecclesiologie).
  8. Vrijkerkelijke ecclesiologie: De student kan op hoofdlijnen de eigenheid van de (ana)baptistische en evangelische traditie en ecclesiologie uitleggen, en vanuit VKE perspectief reflecteren op ecclesiologische vraagstukken.
  9. Cultuuranalyse: De student gebruikt relevante theorieën uit de sociale wetenschappen, om de huidige cultuur en context te kunnen duiden in de situatie van de praktijk (bijv. postmodernisme, secularisatie en netwerksamenleving).
  10. Narratieve hermeneutiek: De student gebruikt 'narrativiteit' als hermeneutische brug; hij/zij verbindt zijn/haar autobiografie, het verhaal van de ander, de geloofsgemeenschap of de cultuur aan het grote verhaal van God (Missio Dei) en de verhalen uit de Schrift.
  11. Pastoraat: De student laat zien dat hij in pastorale gesprekken kan luisteren, aansluiten, samenvatten en teruggeven en daarmee de ander kan verbinden aan God(s verhaal met de mens).
  12. Praktijkvragen en complexiteit: De student signaleert vragen, behoeften en problemen binnen de praktijk, bespreekt deze met medestudenten, belanghebbenden en/of betrokkenen, en komt tot een heldere beschrijving hiervan.
  13. Geleefd geloof: De student hanteert kwalitatieve onderzoeksmethodologie om het geleefde geloof van individuen of groepen te onderzoeken en concreet en genuanceerd te beschrijven.
  14. Professionele houding: De student laat een professionele houding zien in zijn studietijd aan het seminarium (houding, communicatie, samenwerking, verantwoordelijkheid, verzorgdheid ingeleverd werk).
  15. Procesdynamieken: De student herkent procesdynamieken in een gemeentelijke context, maakt deze bespreekbaar en is daarin vrij en beweeglijk aanwezig.
  16. Homiletische en liturgische competentie: De student spreekt urgent, empathisch en verbindend in een gemeentelijke of publieke context en gebruikt liturgische vormen (taal en symboliek) en verbindt daarin de eigen duiding van die context met geloofsbronnen.
  17. Communale hermeneutiek: De student begeleidt een dialogisch hermeneutisch proces in de gemeente rondom een geloofspraktijk of ethisch dilemma en kan daarin zorgvuldig het proces verwoorden, begeleiden en bijsturen.
  18. Communicatie/redeneren: De student kan overtuigend zijn punt maken door tot een heldere vraagstelling te komen, logisch te argumenteren, kundig de dialoog met anderen/bronnen te zoeken en te komen tot een scherpe conclusie.
  19. Kerkelijke actualiteit: De student kent en beschrijft recente ontwikkelingen op het evangelisch Protestantse erf in de Nederlandse context.
  20. Oecumene: De student kan zijn eigen traditie geloofwaardig vertolken in gesprek binnen de bredere oecumene en daarmee identificatiedrager zijn van die eigen traditie.
  21. (ana)Baptistische hermeneutiek: De student kent relevante sleutelpassages uit de (ana)baptistische traditie, hun doorwerking in die traditie, en kan daar zowel exegetisch als theologisch op reflect