Samenwerken in de raad
Wanneer een gemeente een voorganger of andere betaalde werker aanstelt, begint dat vaak met veel enthousiasme, de beste bedoelingen en stevige verwachtingen. Soms zien we dat er na verloop van tijd haarscheurtjes of erger in de samenwerking kunnen ontstaan. Dat kan ook te maken hebben met wisselingen in de raad zoals een nieuwe voorzitter. Hoe ga je daar goed mee om als voorganger?
Het is van belang om vanaf het begin te investeren in duidelijke werkafspraken, onderling vertrouwen en een gezonde manier van samenwerken en die afspraken en samenwerking ook regelmatig te evalueren en zo nodig bij te stellen.
De positie van een voorganger is namelijk bijzonder. Hij (waar van toepassing lees zij) is geroepen door God en de gemeente, en ingezegend om de gemeente te dienen. In de meeste gemeenten maakt hij ook deel uit van de raad als mede-oudste. Zijn opleiding, Bijbelkennis en de tijd die hij beschikbaar heeft, kunnen de raad enorm verrijken. Maar die voorsprong vraagt ook om zorgvuldigheid: de raad mag er gebruik van maken, terwijl de voorganger tegelijk alert moet zijn om niet voor de troepen uit te lopen. Leiderschap naar het voorbeeld van Jezus betekent immers dienen, meenemen, vooropgaan, maar niet heersen.
Binnen de raad is het van belang dat iedereen gehoord wordt. Een voorzitter die ruimte geeft, luistert, tijdig samenvat en besluiten in consensus formuleert, draagt bij aan een gezonde dynamiek. Daarvoor is wel teamspirit nodig: de bereidheid om in elkaar te investeren, samen te eten, te ontspannen, maar vooral ook om in de vergaderingen het leven en het geloof met elkaar te delen. Het bidden met en voor elkaar mag daarbij geen sluitstuk zijn, maar juist een bron van verbinding. Ook het werken vanuit een gedeelde visie en jaarplanning helpt om koers te houden en de eenheid te versterken.
Tegelijk vraagt samenwerking om praktische aandachtspunten. Raad en voorganger doen er goed aan elkaar rugdekking te geven en meningsverschillen intern te houden. Ook het uitspreken van waardering is onmisbaar. Een compliment na een preek, een bemoedigend woord in de vergadering of een kleine attentie kan veel betekenen – en maakt het bovendien makkelijker om kritiek te delen wanneer dat nodig is. Bij gebrek aan feedback mag dat ook in de raad bespreekbaar gemaakt worden.
Een bijzondere rol ligt dus bij de voorzitter van de raad (bij voorkeur niet de voorganger zelf), die meestal ook de werkgeversrol vervult. Zijn taak is niet alleen om praktische zaken goed te regelen, maar vooral ook om de voorganger te ondersteunen. Een gezonde relatie tussen beiden is zichtbaar voor gemeenteleden en heeft zeker invloed op het geheel. Regelmatige ontmoetingen – bijvoorbeeld maandelijks – om te spreken over geloof, gezin, gemeente en werk, afgesloten met gebed, getuigen van goed werkgeverschap en geven die belangrijke relatie diepgang en stevigheid.
Naast dit regelmatige contact is het goed om jaarlijks twee meer formele gesprekken te plannen of om daarom te vragen als dat nu niet gebeurt. Het eerste is een voortgangsgesprek waarin twee raadsleden met de voorganger spreken over zijn functioneren, werkbeleving, zorgen en dromen (zie gespreksformulier op unie-abc.nl). Zo nodig kan een externe gespreksleider (bv je regiocoördinator) hierbij helpen. Het tweede gesprek gaat juist niet over werk, maar heeft een pastoraal karakter. Het richt zich op het gezin van de voorganger: huwelijk, kinderen, geestelijk leven en het ervaren van de gemeente als geestelijk thuis. Met name dit gesprek lijkt minder plaats te vinden, wordt misschien spannend gevonden, maar is net zo belangrijk als een regulier pastoraal gesprek tussen voorganger en een gemeentelid. Als deze persoonlijke kant ook aandacht krijgt wordt de relatie verdiept van taakgericht naar mensgericht.
Door op deze manier samen te werken – met openheid, zorg en wederzijds respect – kunnen raad, gemeente en voorganger elkaar tot zegen zijn en samen bouwen aan een gezonde geloofsgemeenschap.
Peter Stoter