Terug naar hoofdinhoud

Zwakte als roeping


Geschreven door Jan Wolsheimer

13 januari 2026
Geplaatst op 13 januari 2026

De wereldorde verschuift. Machtsblokken schuiven, instituties kraken, en overal staan nieuwe (en oude) sterke mannen op die beloven “orde” te brengen. Meestal ten koste van vrijheid, waarheid en menselijkheid. In zo’n klimaat voelt de kerk in West-Europa vaak klein. Niet centraal, niet gezaghebbend, soms zelfs verdacht. In het publieke debat zijn we een voetnoot geworden: óf te religieus om serieus te nemen, óf te stil om nog te horen.

En toch is precies dát misschien wel onze plek.

Niet omdat marginaliteit leuk is. Maar omdat het evangelie nooit gebouwd is op vanzelfsprekendheid. De kerk begon als een minderheid zonder podium, zonder protectie, zonder invloedrijke lobby. En juist daar, aan de rand, ontstond een andere manier van leven die het Romeinse rijk niet kon bedenken: een gemeenschap waarin armen werden gezien, vijanden werden liefgehad, en macht werd ontmaskerd door een gekruisigde Messias.

Als we willen zoeken naar een geloofwaardige houding in een wereld vol geweld en machthebbers, dan helpen drie stemmen mij: De film: Des hommes et des dieux (Of Gods and Men), Het boek: The City is My Monastery, en het Magnificat. Een film, een boek, een lied als wegwijzers.

1) De keuze om te blijven: Des hommes et des dieux

De film Des hommes et des dieux (2010, regie Xavier Beauvois) vertelt het verhaal van Trappistenmonniken in Tibhirine, Algerije, in de jaren ’90: zij leven in vrede met hun (overwegend islamitische) buren, totdat geweld en terrorisering het gebied in de greep krijgt. De monniken staan voor de vraag: vertrekken we of blijven we? 

Wat de film zo aangrijpend maakt, is dat het geen actiefilm is over helden, maar een contemplatieve vertelling over aanwezigheid. De monniken zijn geen naïeve pacifisten. Ze zijn bang. Ze discussiëren. Ze twijfelen. En toch groeit er in hen een overtuiging die in een wereld van “veiligheid eerst” bijna onbegrijpelijk is: wij horen bij deze mensen. Niet boven hen. Niet als project. Maar als buren.

Hun geloofwaardigheid zit niet in luid spreken, maar in trouw blijven: gebed, werk, gastvrijheid, zorg en kwetsbare solidariteit. Zelfs wanneer de staat hen bescherming aanbiedt, beseffen ze: bescherming kan ook medeplichtigheid worden, een manier waarop geweld zichzelf legitimeert. 

De kerk in een wereld van tirannen heeft de neiging om te denken dat ze vooral méér invloed nodig heeft. Deze film fluistert iets anders: misschien heeft de kerk vooral meer aanwezigheid nodig. Niet midden op het podium, maar midden tussen mensen.

2) De stad als klooster: The City is My Monastery

Daar komt The City is My Monastery: A Contemporary Rule of Life bij. Richard Carter beschrijft daarin hoe monastieke waarden (stilte, ritme, dienstbaarheid, stabiliteit, gebed) niet bedoeld zijn om uit de wereld te vluchten, maar om in de wereld stand te houden, juist in een drukke stedelijke context. 

Het woord “levensregel” (rule of life) klinkt voor moderne mensen al snel benauwend, alsof het gaat om controle. Maar een monastieke regel is eerder een houvast: een ritme dat je draagt wanneer de wereld je opjaagt. Als alles polariseert, als nieuws je zenuwstelsel kaapt, als cynisme normaal wordt, dan heb je geen extra meningen nodig, maar een dieper gevormde ziel.

En precies daar raakt dit boek aan de roeping van de kerk: niet primair een organisatie met standpunten, maar een gemeenschap die oefent in een ander soort mens-zijn. In de stad: tussen onrecht, snelheid en onzekerheid kan de kerk een “klooster zonder muren” worden: een plek waar mensen leren bidden, delen, vergeven, luisteren, dienen. 

Dat is geen escapisme. Dat is weerstand, verzet, maar dan van het soort dat niet spiegelt wat het bestrijdt.

3) Het Magnificat: de lofzang die tirannen niet leuk vinden

En dan het Magnificat (Lucas 1:46–55). Maria zingt niet alleen een vroom liedje. Ze zingt een omkering. Een theologische interpretatie van de werkelijkheid:

  • God ziet de nederigen.
  • God verstrooit de hoogmoedigen.
  • God haalt machthebbers van hun troon.
  • God vult hongerigen met goede gaven. 

Dit is geen oproep tot geweld. Het is veel subtieler en dieper: een proclamatie dat macht niet het laatste woord heeft. Het Magnificat is liturgie als waarheidspreken. Het leert de kerk om de wereld niet te lezen via de headlines van het imperium, maar via de belofte van Gods koninkrijk.

Wie het Magnificat hardop bidt, leert twee dingen tegelijk:

  1. God is niet neutraal in een wereld van onderdrukking.
  2. De kerk hoeft niet te winnen om gelijk te hebben.

Dat tweede is cruciaal. Want een marginale kerk wordt nerveus. Ze wil terug naar het centrum. Ze wil “relevant” zijn. Ze wil bewijzen dat ze nog meetelt. En voor je het weet ga je dezelfde wapens gebruiken als de machten: framing, vijandbeelden, status, cynisme, angst.

Het Magnificat nodigt de kerk uit om een andere toon te kiezen: hoop die niet naïef is, maar geoefend. Een lied dat je blijft zingen wanneer de troon bezet is door iemand die je vreest.

Wat betekent dit concreet voor de kerk nu? 

Als de kerk in het publieke debat marginaal is, zijn er grofweg drie verleidingen:

  1. Meedoen met de macht (zodat we weer invloed krijgen).
  2. Schreeuwen vanaf de zijlijn (zodat we onszelf nog horen).
  3. Terugtrekken in een veilige bubbel (zodat we het niet meer voelen).

De monniken van Tibhirine, de “stad als klooster”, en het Magnificat wijzen een vierde weg: aanwezige trouw.

Vijf praktijken die daarbij horen: 

1. Kies voor stabiliteit boven hysterie
Blijf. Niet overal tegelijk. Maar blijf bij je wijk, je stad, je mensen. In een tijd van vluchtigheid is standvastigheid een profetische daad.

2. Laat liturgie je politieke vorming worden
Bid psalmen. Zing het Magnificat. Vier avondmaal. Niet als ritueel, maar als hertraining van je verbeelding: zo ziet Gods wereld eruit.

3. Oefen in niet-gewelddadige kracht
Zacht is niet slap. Zacht is gecontroleerde macht. De kerk kan leren om confronterend waar te zijn zonder haat te kopiëren.

4. Wees een veilige plek voor kwetsbaren
Tirannen floreren op angst en ontmenselijking. De kerk kan een oefenplaats zijn van menselijke waardigheid: voor vluchtelingen, eenzamen, armen, mensen zonder stem.

5. Spreek minder om te winnen” en meer om te dienen”
Niet elk debat is een arena. Soms is je roeping om een geweten te zijn, geen partij. Om de waarheid te dragen, niet om applaus te krijgen.

De paradox van een marginale kerk

Misschien is het verlies van culturele vanzelfsprekendheid niet alleen een probleem, maar ook een kans. Want aan de rand hoef je minder te managen. Minder te scoren. Minder te bewijzen.

Aan de rand kun je weer lijken op Jezus.

En dat is uiteindelijk de vraag: niet of de kerk weer centraal komt te staan, maar of de kerk waarachtig wordt: een gemeenschap die blijft, bidt, dient, en zingt… zelfs wanneer de wereld steeds harder wordt.

 Zoals Maria. Zoals de monniken. Zoals een stads-klooster.

Jan Wolsheimer is directeur van CAMA Zending, een zusterorganisatie van Unie-ABC. 

Zwakte als roeping